Meetfuncties
Het meetgereedschap biedt de volgende meetfuncties:
Meting van wisselstroom
Meting van wissel- of gelijkspanning met een lage ingangsimpedantie (ca. 3 kΩ) om blindspanningen (inductief/capacitief) te onderdrukken
Meting weerstand
Continuïteitstest
Meting van wisselspanning
Meting van de frequentie van wisselspanning
Meting van gelijkspanning
Contactloze spanningstest
- Gebruik voor metingen altijd de juiste aansluitbussen, schakelaarstanden en meetbereiken.
- Controleer vóór het gebruik of de meetkabels goed doorgankelijk zijn. Gebruik ze niet wanneer de meetwaarden hoog zijn of veel ruis vertonen.
- Houd uw vingers bij het gebruik van de meetkabels en testpennen achter de vingerbescherming.
- Draai de draaischakelaar (2) op de positie in de afbeelding.
- Druk op de Sel-toets, wanneer deze in de afbeelding verschijnt.
Bij het gebruik van de meetkabels:
- Verbind de meetkabels (14) en (13) zoals getoond op de afbeelding.
- Maak met de testpennen contact met de meetpunten.
- De meetwaarde verschijnt op het display (1).
Bij het gebruik van de meetvork:
- Omsluit met de meetvork (6) de kabel die moet worden gemeten (maximale kabeldiameter 16 mm). Plaats deze tussen de pijlen (7).
- De meetwaarde verschijnt op het display (1).
Houd uw vingers bij het gebruik van de meetvork achter de vingerbescherming.
- Voer geen metingen uit wanneer het rustpotentiaal ten opzichte van de massa meer dan 1000 V bedraagt.
- Voer de meting met de meetvork uit. zie Meetfuncties.
- Voer de meting met de meetkabels uit zie Meetprocedure.
- Voer de meting met de meetkabels uit zie Meetprocedure.
- Voer de meting met de meetkabels uit. zie Meetprocedure.
- Voer de meting met de meetkabels uit. zie Meetprocedure.
- Wanneer de continuïteitstest succesvol is, is een continu geluidssignaal te horen.
- Voer de meting met de meetkabels uit. zie Meetprocedure.
De frequentiemeting vindt alleen bij wisselspanning plaats.
- Voer de meting met de meetkabels uit. zie Meetprocedure.
- Voer de meting met de meetkabels uit. zie Meetprocedure.
- Let tijdens de meting op voldoende aarding. Bij onvoldoende aarding (bijv. door isolerend schoeisel of staan op een ladder) kan de spanningstester geen spanningen detecteren.
- Ook wanneer er geen optisch of akoestisch signaal verschijnt, kan er spanning aanwezig zijn. De isolatie, de leidingdoorsnede, een afscherming van de leiding of de afstand tot de spanningsbron kunnen de test beïnvloeden.
- De spanningstester kan geen spanning detecteren bij een afgeschermde leiding en in gelijkstroomkringen.
- Gebruik de spanningstester niet om vast te stellen of iets spanningsloos is.
- Gebruik de spanningstester niet wanneer deze er beschadigd uitziet of niet correct functioneert. Controleer de testpunt vóór gebruik op scheuren of breuk.
- Draai de draaischakelaar (2) in stand
. Op het display verschijnt EF. - Houd de testpen (5) in de buurt van het testobject of het stopcontact met wisselspanning.
- Wanneer wisselspanning ≥ 40 V AC wordt herkend, is een geluidssignaal te horen en de led bij de draaischakelaarstand
knippert rood.