Diamantdoorslijpschijven monteren
- Voor het bevestigen en verwisselen van diamantdoorslijpschijven wordt het dragen van werkhandschoenen geadviseerd.
- Diamantdoorslijpschijven worden tijdens de werkzaamheden zeer heet. Raak deze niet aan voordat ze zijn afgekoeld.
- Gebruik alleen met diamant bezette doorslijpschijven. Gesegmenteerde diamantschijven mogen alleen negatieve snijhoeken en maximale sleuven van 10 mm tussen de segmenten hebben.
- Neem de accu vóór alle werkzaamheden aan het elektrische gereedschap (bijv. onderhoud, wisselen van accessoires, enz.) uit het elektrische gereedschap. Bij per ongeluk bedienen van de aan/uit-schakelaar bestaat gevaar voor letsel.
Druk op de asblokkeerknop (10) om de slijpas vast te zetten.
- Bedien de asblokkeerknop alleen, als de slijpas stilstaat. Anders kan het elektrische gereedschap beschadigd raken.
- Bij gebruik van de spanmoer (27): draai de spanmoer met een pensleutel (28) los.
- Bij gebruik van de snelspanmoer met beugel (25): klap de beugel van de snelspanmoer omhoog en draai de snelspanmoer (25) stevig naar links. Draai een vastzittende snelspanmoer met een pensleutel los.
- Bij gebruik van de snelspanmoer (26): draai de kartelring linksom. Draai een vastzittende snelspanmoer met een pensleutel los.
Neem de vulringen (24) en de opnameflens (22) weg. Reinig de slijpas (21) en alle te monteren delen.
De sleufbreedte ontstaat uit het aantal vulringen (24) tussen de beide diamantdoorslijpschijven (23) en de dikte van de diamantdoorslijpschijven.
De sleufbreedte wordt als volgt berekend:
sleufbreedte = dikte van de vulringen + dikte van de diamantdoorslijpschijven.
De mogelijke sleufbreedte is te zien in het gedeelte „Technische gegevens“. zie Technische gegevens.
U mag het elektrische gereedschap met één of twee diamantdoorslijpschijven gebruiken.
Zet de opnameflens (22) op de slijpas (21). De opnameflens moet met de draaimeenemer correct op de slijpas zitten.
Zet de diamantdoorslijpschijf (23) en de vulringen (24) op de opnameflens (22).
- Onafhankelijk van de gewenste sleufbreedte moeten altijd alle meegeleverde vulringen worden gemonteerd. De diamantdoorslijpschijf (23) kan anders tijdens gebruik losraken en letsel veroorzaken.
Aantal benodigde vulringen:
4 stuks met elk een dikte van 6 mm
3 stuks met elk een dikte van 4 mm
Tussen 2 diamantdoorslijpschijven (23) moet ten minste één vulring (24) zijn gemonteerd.
Aanwijzing: Er mogen uitsluitend diamantdoorslijpschijven worden gebruikt. Het gebruik van gebonden versterkte doorslijpschijven is niet toegestaan!
Let er bij de montage van de diamantdoorslijpschijven op dat de draairichtingpijlen op de diamantdoorslijpschijven en de draairichting van het elektrische gereedschap (zie draairichtingpijl (29) op de bovenste beschermkap) overeenstemmen.
Druk op de asblokkeerknop (10) om de slijpas vast te zetten.
- Bij gebruik van de spanmoer (27): schroef de spanmoer erop en draai deze met een pensleutel (28) vast.
- Bij gebruik van de snelspanmoer met beugel (25): klap de beugel van de snelspanmoer omhoog en draai de snelspanmoer stevig rechtsom. Klap daarna de beugel voor het vastzetten van de snelspanmoer omlaag. Vastdraaien bij de schijfrand is niet voldoende.
- Bij gebruik van de snelspanmoer (26): schroef de snelspanmoer erop en draai de doorslijpschijf stevig rechtsom.
Vergrendel de bovenste beschermkap (17) met de beugel (1). Draai daarna de bovenste beschermkap naar binnen tot de ontgrendeling (20) hoorbaar vastklikt.
Bij het werken met 2 diamantdoorslijpschijven (23) vervangt u deze altijd paargewijs.
De volgorde van de montage is te zien op de pagina met afbeeldingen.
Er zijn 3 markeringen voor de aanduiding van de posities van de diamantdoorslijpschijven (13) aanwezig.
- Binnenliggende markering: geeft de positie van de binnenliggende diamantdoorslijpschijf (23) aan, als er tussen opnameflens (22) en deze diamantdoorslijpschijf geen vulring (24) wordt geplaatst.
- Middelste markering: geeft het geometrische midden tussen binnen- en buitenliggende diamantdoorslijpschijf aan.
- Buitenliggende markering: geeft de positie van de buitenliggende diamantdoorslijpschijf (23) aan, als deze diamantdoorslijpschijf helemaal aan de buitenkant wordt geplaatst, d.w.z. er daarna geen vulringen (24) meer worden geplaatst.