Ingebruikname
Plaats de compressor op een stevige, vlakke, horizontale en schone ondergrond zodat hij niet kan omvallen.
De compressor moet goed belucht zijn. Vooral de luchtinlaat op het luchtfilterdeksel (12) en de ventilatieopeningen moeten voldoende afstand tot muren of andere obstakels hebben die de luchtstroom kunnen belemmeren.
Met de voorkeuzeschakelaar keteldruk (4) kunt u kiezen uit 2 instellingen voor de maximale keteldruk:
- 8 bar
- 4 bar
De keteldruk moet hoger zijn dan de benodigde werkdruk.
Bij het werken met een gereduceerde keteldruk wordt de vultijd korter. De acculooptijd wordt daardoor verlengd.
De keteldruk wordt op elk moment op de manometer keteldruk (3) aangegeven.
- Controleer vóór het inschakelen van de compressor het veiligheidsventiel. Gebruik de compressor niet wanneer beschadigingen bij het veiligheidsventiel (5) te zien zijn.
Overtuig u ervan dat het aftapventiel (7) gesloten is.
Voor het inschakelen van de compressor drukt u de aan/uit-schakelaar (6) in positie I.
Begin pas te werken met het aangesloten persluchtgereedschap/-accessoire wanneer de manometer keteldruk (3) een voldoende keteldruk aangeeft.
De motor van de compressor schakelt automatisch uit wanneer de ingestelde maximale keteldruk bereikt is.
De motor van de compressor schakelt automatisch in wanneer de keteldruk minder wordt.
Voor het uitschakelen van de compressor drukt u de aan/uit-schakelaar (6) in positie 0.
Stel de werkdruk passend bij de betreffende toepassing in. Bij het gebruik van persluchtgereedschappen en persluchtaccessoires mag de werkdruk van de compressor niet hoger zijn dan de maximale werkdruk van de aangesloten gereedschappen of accessoires.
Draai de draaiknop werkdruk (2) rechtsom om de werkdruk te verhogen.
Draai de draaiknop werkdruk (2) linkssom om de werkdruk te verlagen.
De werkdruk wordt op elk moment op de manometer werkdruk (1) aangegeven.