Veiligheidsaanwijzingen

Alle aanwijzingen moeten gelezen en in acht genomen worden. Wanneer de spanningstester niet volgens deze instructies wordt gebruikt, kunnen de geïntegreerde veiligheidsvoorzieningen in de spanningstester belemmerd worden. BEWAAR DEZE INSTRUCTIES ZORGVULDIG.
- Verricht geen metingen in stroomcircuits met spanningen boven 1000 V. Gebruik de spanningstester uitsluitend in het aangegeven nominale spanningsbereik en in elektrische installaties tot 1000 V AC/DC.
- Gebruik de spanningstester niet wanneer deze er beschadigd uitziet of niet correct functioneert. Controleer de testpunt vóór gebruik op scheuren of breuk.
- Wees uiterst voorzichtig bij de omgang met spanningen boven 30 V wisselspanning of 60 V gelijkspanning! Reeds bij deze spanningen kunt u bij aanraking van elektrische draden een levensgevaarlijke elektrische schok krijgen.
- De op de spanningstester genoemde spanningen zijn nominale spanningen. Gebruik de spanningstester uitsluitend in installaties met de vastgelegde nominale spanningen.
- Gebruik de op de spanningstester aangegeven signalen (inclusief de ELV grenswaarde) niet voor meetdoeleinden.
- Controleer vóór gebruik van de spanningstester de laadtoestand van de batterijen en verwissel deze indien nodig.
- Controleer de werking van de spanningstester vóór en na het gebruik met de zelftest. Gebruik de spanningstester niet wanneer de aanduiding van een of meer niveaus ontbreekt of wanneer wordt aangegeven dat deze niet goed functioneert.
- Controleer of de geluidssignalen van de spanningstester te horen zijn, voordat u deze gebruikt op plekken met harde geluiden op de achtergrond.
- Gebruik de spanningstester niet als het batterijvakdeksel geopend is.
- Afhankelijk van de inwendige impedantie van de spanningstester zijn er bij de aanwezigheid van een stoorspanning verschillende mogelijkheden voor de aanduiding „werkspanning aanwezig“ of „werkspanning niet aanwezig“.
Een spanningstester met een relatief lage inwendige impedantie zal in vergelijking met de referentiewaarde 100 kΩ niet alle stoorspanningen met een oorspronkelijke waarde boven ELV aangeven. Bij contact met de te testen installatiedelen kan de spanningstester de stoorspanningen door ontlading tijdelijk verlagen naar een niveau onder ELV; na het verwijderen van de spanningstester zal de stoorspanning haar oorspronkelijke waarde echter weer aannemen.
Wanneer de aanduiding „Spanning aanwezig“ niet verschijnt, wordt dringend aangeraden de aardingsvoorziening aan te brengen voordat met de werkzaamheden wordt begonnen.
Een spanningstester met een relatief hoge inwendige impedantie zal in vergelijking met de referentiewaarde 100 kΩ bij een aanwezige stoorspanning „Werkspanning niet aanwezig“ niet duidelijk aangeven.
Wanneer de aanduiding „Spanning aanwezig“ verschijnt bij een deel waarvan wordt aangenomen dat het van de installatie losgekoppeld is, wordt dringend aangeraden om met extra maatregelen (bijv. gebruik van een geschikte spanningstester, visuele inspectie van het loskoppelpunt in het elektrische net, enz.) de toestand „werkspanning niet aanwezig“ van het te testen installatiedeel aan te tonen en vast te stellen dat de door de spanningstester aangegeven spanning een stoorspanning is.
Een spanningstester met de vermelding van twee waarden van de inwendige impedantie heeft de test van zijn uitvoering voor het behandelen van stoorspanningen doorstaan en is (binnen de technische grenzen) in staat om werkspanning van stoorspanning te onderscheiden en het aanwezige spanningstype direct of indirect aan te geven.
- De spanningstester mag uitsluitend in combinatie met een veilige manier van werken worden gebruikt door gekwalificeerd en geschoold personeel.
- Laat de spanningstester uitsluitend door gekwalificeerd geschoold personeel en met originele onderdelen repareren. Daarmee wordt gewaarborgd dat de veiligheid van de spanningstester behouden blijft.
- Onbevoegde personen mogen de spanningstester niet demonteren.
- Werk met de spanningstester niet in een omgeving waar ontploffingsgevaar heerst en zich brandbare vloeistoffen, brandbare gassen of brandbaar stof bevinden. In de spanningstester kunnen vonken ontstaan die het stof of de dampen tot ontsteking brengen.
- De spanningstester kan geen spanning detecteren bij een afgeschermde leiding en in gelijkstroomkringen.
- Stel de spanningstester niet bloot aan extreme temperaturen of temperatuurschommelingen. Laat deze bijv. niet gedurende langere tijd in de auto liggen. Laat de spanningstester bij grotere temperatuurschommelingen eerst op de juiste temperatuur komen, voordat u hem in gebruik neemt. Bij extreme temperaturen of temperatuurschommelingen kan de nauwkeurigheid van de spanningstester nadelig beïnvloed worden.
- Gebruik de spanningstester uitsluitend binnen de aangegeven temperatuur- en luchtvochtigheidsbereiken.